FAQ Project 3030 - Werkgevers

In de sector van de gezinszorg kent het Project 3030 al jaren succes. Via dit project kan niet‑verzorgend personeel zich omscholen tot verzorgende en/of zorgkundige.

Het project, gecoördineerd door het Vormingsfonds voor de Diensten Gezinszorg van de Vlaamse Gemeenschap, wordt opnieuw tijdens het schooljaar 2021-2022 verdergezet. Dankzij de financiële tussenkomsten van het socialemaribelfonds van de sector is het Project 3030 mogelijk.

Afbeelding
project3030

 

 

In deze veelgestelde vragenlijst proberen we een antwoord te geven op allerlei vragen die u als werkgever kan hebben.

Algemene principes

  1. Van elke cursist die geselecteerd is om de opleiding te volgen, betaalt het maribelfonds conform de regelgeving de onkosten die u als werkgever moet betalen.

De cursisten zijn werknemers met statuut ‘niet-verzorgend personeel’ uit PC 318.02 (private sector gezinszorg), die niet beschikken over het diploma polyvalent verzorgende/zorgkundige.

Op de prestatiestaat geeft u voor deze werknemers code 3030 in.

  1. Voor elke werknemer die wordt opgeleid tot verzorgende wordt de vrijgekomen arbeidsplaats (logistiek assistent, dienstenchequewerknemer, poetshulp…) ingevuld door een ingeschreven voltijds of deeltijds niet-werkende werkzoekende van de VDAB. Als de loonkost van de cursist voordat hij zijn opleiding startte, ten laste was van de maribel, kan u ook de loonkosten van de vervanger recupereren via de sociale maribel, uiteraard rekening houdend met de maribelregelgeving.

Op de prestatiestaat geeft u voor deze werknemers code V3030 in.

PS: De reden voor deze codering van deze werknemers is simpel: we willen het Project 3030 meer kwantificeren. Uiteraard hebben we dan exacte gegevens nodig.

De vervanging van de socialemaribelwerknemer in opleiding

Ja, de vrijgekomen arbeidsplaats moet u echter wel invullen door een ingeschreven voltijds of deeltijds niet-werkende werkzoekende van VDAB, omdat de VDAB de opleidingskost vergoedt aan het opleidingscentrum.

Het Fonds Sociale Maribel voor de Diensten Gezinszorg van de Vlaamse Gemeenschap financiert dan de loonkost van de vervanger.

De vervanging moet uiteraard conform de socialemaribelregelgeving binnen de 6 maanden gebeuren. Hoe? Ofwel werft u iemand nieuw aan, ofwel verhoogt u de werktijd van iemand die u deeltijds in dienst heeft. De financiering van de vervanger start ten vroegste op de dag dat de werknemer met de opleiding start. Als de vervanger later wordt aangeworven, begint de subsidiëring van de vervanger uiteraard pas op de datum van indiensttreding. (cf. A6)

De werknemer in opleiding moet u vervangen voor diens jobtime door één of meerdere werknemers.

Let wel: er mag geen arbeidsvolumedaling zijn.

Zoals vermeld in de vorige punten, kan u de te vervangen jobtime ook toekennen aan een personeelslid dat al deeltijds in dienst is.  

Neen, dit hoeft niet.

Neen, ook dit hoeft niet. De loonkost van de vervanger wordt betaald met maribelmiddelen als de cursist ook al een maribelwerknemer was.

De aanwerving moet uiteraard voor uw organisatie een extra tewerkstelling zijn. Voor deze vervanging mag u geen enkele andere vorm van subsidie ontvangen. Als het socialemaribelfonds een dubbele financiering vaststelt, zal het fonds de onterecht ontvangen subsidie integraal terugvorderen.

U kan vervangen vanaf de mededeling van de selectie. De financiering van de vervanger start ten vroegste op de dag dat de werknemer met de opleiding start.

Op de prestatiestaten gebruikt u  

  • Code 3030 = code voor de cursist
  • Code V3030 = code voor zijn vervanger

Het contract van de vervangende werknemer kan geschorst zijn vb. omwille van langdurige ziekte. In deze situatie mag u vervangen door met een ingeschreven voltijds of deeltijds niet-werkende werkzoekende van VDAB een vervangingsovereenkomst af te sluiten.

Let wel:

  • De loonkost van uitzendkrachten kan nooit ten laste genomen worden door het socialemaribelfonds.
  • De nieuwe vervanging met vervangingsovereenkomst moet binnen de 6 maanden gebeuren.
  • Hou ook voor deze vervanging rekening met onze richtlijnen in het punt A1.

U betaalt als werkgever de vervanger maandelijks het overeengekomen loon. U verhaalt deze kost evenwel op het Maribelfonds. Gebruik hiervoor de code V3030 op de trimestriële prestatiestaat.

Het socialemaribelfonds vergoedt conform het KB Sociale Maribel het brutoloon van de vervangende werknemer, overeenkomstig de sectorale baremieke loonschaal en -voorwaarden voor de uitgeoefende functie (met inbegrip van vakantiegeld uit dienst, eindejaarspremie, haard- en standplaatsvergoeding (indien van toepassing), betaalde feestdag na uitdiensttreding, enkel en dubbel vakantiegeld, patronale lasten), weliswaar beperkt tot een maximum van het loonplafond sociale maribel voor een voltijds equivalent op jaarbasis (of de daarmee overeenstemmende pro rata).

De kosten voor arbeidskledij, sociaal secretariaat, arbeidsongevallenverzekering/verzekering burgerlijke aansprakelijkheid. Ook verbrekingsvergoedingen worden nooit terugbetaald.

Het staat elke werkgever en vervangende werknemer vrij om het barema en het loon overeen te komen.

Let wel: u moet de regels van de sectorale cao’s en de toepassing van het KB Sociale Maribel respecteren. Het socialemaribelfonds vergoedt slechts tot het gangbare loonplafond. De meerkosten moet u bijgevolg zelf ten laste nemen.

U ontvangt -net zoals voor andere maribelmedewerkers- voorschotten. U geeft de vervanger daartoe aan op de gebruikelijke prestatiestaten (code V3030). Het saldo ontvangt u nadat u uw akkoord gaf voor de jaarlijkse eindafrekening.

Omdat de vervangende werknemer geen vervangingscontract stricto sensu heeft, kan hij in dienst blijven na de terugkeer van de werknemer in opleiding. Vanzelfsprekend komt zijn loonkost dan volledig ten laste van u als werkgever.

De betrokken werknemer moet onmiddellijk het werk hervatten. Als deze zijn studies beëindigt, zegt u de vervanger op of kan u een verbrekingsvergoeding uitbetalen. U moet de algemeen geldende regels volgen.

Let wel: het socialemaribelfonds financiert nooit verbrekingsvergoedingen.

De vervangende werknemer neemt deze dagen op in onderling overleg met u als werkgever, volgens de regels die in de organisatie gelden en in functie van de continuïteit van de dienst.

De werknemer in opleiding

De anciënniteit moet ten laatste op de uiterste inschrijfdatum van het jaar dat de werknemer zich inschrijft, bereikt zijn. Voor het schooljaar 2020-2021 is dit 15 maart 2021.

De screeningsdag bij VDAB valt buiten de werktijd, dus hoeft u geen loon uit te betalen. Alle andere voorbereidingstijd i.f.v. het Project 3030, bijvoorbeeld het samen invullen van het motivatieverslag, valt binnen de effectieve werktijd van de betrokken werknemer.

Een overzicht van wat er buiten de werktijd van de werknemer valt

  • Testen bij VDAB
  • Geneeskundig onderzoek
  • Infosessie waaraan de uitgelote kandidaten per provincie in groep aan deelnemen
  • Kennismakingsgesprek met de opleidingsverantwoordelijke

De arbeidsovereenkomst blijft gewoon verder bestaan. De uitvoering ervan wordt niet als geschorst beschouwd.

De overeenkomst wijzigt niet. De tegenprestatie van de werknemer bestaat er, in het kader van zijn arbeidsovereenkomst, in dat hij tijdens de voorziene opleidingsperiode de afgesproken opleiding en stages volgt.

Alle statuten komen in aanmerking, dus ook dienstenchequewerknemers.

De dagen waarop de werknemer les of stage heeft of moet deelnemen aan activiteiten die het opleidingscentrum organiseert, worden beschouwd als arbeidsdagen.

Basisprincipes

  • regel elke vakantieperiode altijd in overleg met de werknemer voor hij de opleiding start. U maakt samen duidelijke afspraken. Zorg ervoor dat zowel u als de werknemer goed op de hoogte bent van de sluitingsdagen van het opleidingscentrum. Werknemers kunnen immers op verschillende momenten met de opleiding starten en ook de sluitingsperiodes van de diverse opleidingscentra variëren.
  • De werknemer zal niet verplicht worden om onbetaald verlof te nemen. Daarom zal u alternatief werk aanbieden.

Vertrekpunt

De medewerker die geselecteerd is binnen project 3030, sluit aan bij een voltijdse opleiding tot polyvalent verzorgende en zorgkundige. De medewerker wordt voor de duurtijd van de opleiding ‘vrijgesteld’ om aan de opleiding deel te nemen – los van het eigen arbeidsritme. Het werkrooster wordt ook niet aangepast. De medewerker behoudt het bestaande arbeidsregime en het daaraan gekoppelde loon, deeltijds of voltijds, maar volgt tijdens de opleiding het bestaande lessenrooster.

Dit betekent in de praktijk het volgende. De opleiding biedt gemiddeld 35 lesuren per week. Naast deze lessen wordt van de deelnemers thuis ook nog studietijd en tijd voor uitvoering van opdrachten verwacht. Zowel een deeltijdse medewerker met een arbeidsritme van 20 uren als een voltijdse medewerker met een arbeidsritme van 38 uren, volgen dus 35 lesuren. Bij de deeltijdse medewerker zou je kunnen stellen dat er 15 uren (20-35) in de ‘eigen tijd’, dus onbetaald doorgaan. Een voltijdse medewerker zal nog 3 betaalde uren (38-35) kunnen benutten in functie van de studietijd. Maar in termen van het ‘vrijgesteld’ zijn, speelt deze telling dus geen rol. Bijkomend zal een medewerker met een voltijds arbeidsritme die bijvoorbeeld op woensdagnamiddag geen les heeft, maar wel een arbeidsrooster had waarin op woensdagnamiddag werd gewerkt, voor deze halve dagen geen verlof moeten nemen.

Verlof

De medewerker kan tijdens de duurtijd van de opleiding geen verlof opnemen naar keuze. De medewerker volgt de verlofdagen die het opleidingscentrum in het opleidingsprogramma voorziet.

Inactiviteitsdagen

Inactiviteitsdagen zijn sluitingsdagen van het opleidingscentrum waarop van de deelnemer geen enkele activiteit of beschikbaarheid wordt verwacht.

Bijvoorbeeld:

  • Een opleiding die start in februari en loopt tot december, wordt in de zomervakantie twee weken onderbroken. Gedurende deze twee weken gaat de medewerker of aan het werk, of de medewerker neemt verlof op.
  • De opleiding sluit/heeft geen lesaanbod op een brugdag. Die dag wordt er door de medewerker verlof opgenomen.
  • Het theoretisch gedeelte is afgesloten en er zijn twee vrije dagen voor de start van de stage. Hier worden twee verlofdagen opgenomen.


Als de medewerker geen verlof meer heeft om de inactiviteitsdag op te vullen, kan de medewerker kiezen om te gaan werken of onbetaald verlof te nemen.

Wanneer neemt de medewerker geen verlof op?

Op dagen waarop er wel een activiteit of beschikbaarheid van hem wordt verwacht.

Bijvoorbeeld:

  • In de examenweek, komen de deelnemers enkel naar het examen. De overige (halve) dagen zijn studiedagen. Er wordt studietijd verondersteld, dus er wordt geen verlof genomen.
  • Aan het einde van een stageperiode zijn er een aantal inhaaldagen voorzien, om onverwachte afwezigheden te kunnen opvangen. Deze dagen dient de medewerker beschikbaar te blijven voor inhaalstage, opvolggesprekken etc. Er wordt geen opname van verlof verwacht, ook al vindt er geen inhaalstage plaats. De medewerker kan opgeroepen worden voor een gesprek, of kan aan zijn stageopdrachten verder werken. Het opleidingstraject is lopende. Er is geen sprake van ‘inactiviteit’.

De werknemer blijft – net zoals andere werknemers in de organisatie – verder onderworpen aan de toepassing van de socialezekerheidswetgeving voor werknemers.

Hoewel een deeltijds tewerkgestelde werknemer een voltijdse opleiding volgt, ontvangt hij tijdens de opleiding verder loon gebaseerd op zijn arbeidstijd vermeld in de arbeidsovereenkomst.

Wanneer een werknemer in opleiding deeltijds loopbaanonderbreking geniet, wordt hij slechts vergoed voor het gepresteerde gedeelte. Als de werknemer de loopbaanonderbreking wilt stopzetten, moet u als werkgever hiermee akkoord gaan en moeten de klassieke regels ter zake gevolgd worden.  

De werknemer behoudt tijdens de opleidingsperiode al zijn rechten. Hij ontvangt zijn baremieke wedde alsook de vergoedingen waar hij recht op heeft volgens zijn arbeidsovereenkomst en de geldende sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten. Zo ontvangt de werknemer bv. de eindejaarspremie, haard- of standplaatsvergoeding... Deze loonkost mag u tot het loonplafond van max. een basismedewerker verhalen bij het socialemaribelfonds.

Ja, de werknemer heeft tijdens de opleiding recht op tussenkomst in de vervoerkosten van en naar zowel het opleidingscentrum als de stageplaats.

Vanuit de Stuurgroep 3030 zijn er geen afspraken rond het soort vervoersmiddel dat kan gebruikt worden.

Richtlijnen vanuit de Stuurgroep 3030:

  • De werknemer kiest het voordeligste vervoer.
  • Bij het nemen van het openbaar vervoer (trein, bus) is het goedkoopste biljet (maandabonnement, driemaandelijks abonnement….) de richtlijn. Weet dat abonnementen openbaar vervoer kunnen onderbroken worden en dat de werknemer soms een deel krijgt terugbetaald. 

Omdat de opleiding beschouwd wordt als gewerkte dagen, lopen zowel de baremieke als de dienstanciënniteit gedurende de opleidingsperiode verder.

In geval van ziekte en ongeval gelden dezelfde regels als voor de overige werknemers (attest van ziekte, werkgever verwittigen, gewaarborgd loon, ...). Ook moet de werknemer het opleidingscentrum waarin hij ingeschreven is, verwittigen.

Let wel: bij langdurige ziekte kan de opleiding eventueel later hervat worden.

Voorwaarden: de werkgever meldt de stopzetting aan project3030 [at] vspf.org. Eens de werknemer opnieuw de opleiding kan verderzetten, deelt de werkgever dit ook mee.

De Stuurgroep 3030 bekijkt dan wanneer en waar de werknemer de opleiding kan verderzetten. Belangrijk hierbij is dat er tussen de startdatum van de onderbroken opleiding en deze van de volgende opleiding niet meer dan 36 maanden liggen. Ook moet de werkgever bij de VDAB aftoetsten of dit geen bezwaar is.

Voor een zwangere werkneemster in opleiding geldt dezelfde reglementering als voor zwangere werkneemsters in de (stage)organisatie (verwittiging werkgever, arbeidsgeneesheer,…).

Let wel: elke stopzetting van de opleiding gebeurt altijd in overleg tussen het opleidingscentrum en de VDAB.

De werkneemster kan de opleiding het volgend startmoment van het opleidingscentrum opnieuw aanvatten, mits de werkgever een motiverend schrijven richt naar project3030 [at] vspf.org.

De bescherming bij arbeidsongevallen strekt zich uit tot de extra muros opleidingen en tot de weg van en naar deze opleiding, inclusief stageplaatsen. Valt de opleiding buiten de gewone werkuren, dan is het raadzaam uw verzekeraar hierop attent te maken.

Tijdens het lopend opleidingsjaar mag de werknemer in opleiding niet meer in de organisatie tewerkgesteld worden.

Binnen het Project 3030 is de werknemer in opleiding verplicht om één stage als polyvalent verzorgende binnen de eigen thuiszorgdienst en één in een woon- en zorgcentrum te doen.

Wanneer de werknemer zijn opleiding staakt of beëindigd heeft, heeft hij het recht om opnieuw tewerkgesteld te worden in uw organisatie en in de functie die hij uitoefende voor de aanvang van zijn opleiding.

Het ‘Project 3030’ voorziet geen speciaal beschermingsstatuut ter zake.

In enkele uitzonderlijke gevallen kan de Stuurgroep van het ‘Project 3030’ zich uitspreken over een recht op herkansen, bijvoorbeeld na langdurige ziekte. De werknemer overlegt dit met zijn leidinggevende.

Let wel: overleg hierover met het opleidingscentrum. Ook overleg met de VDAB is nodig (cfr. de onderrichtingen van de VDAB). Als alle betrokkenen het erover eens zijn dat de werknemer een tweede kans verdient, stuurt de leidinggevende een gemotiveerd schrijven naar project3030 [at] vspf.org.

Een werknemer in opleiding die een mandaat van werknemersafgevaardigde heeft in het CPBW, de ondernemingsraad of syndicale delegatie blijft tijdens de opleiding de bescherming genieten, maar zetelt tijdens de opleidingsperiode niet als effectief lid in de voorgemelde organen.

Neen, u heeft dit recht niet. Als dit toch het geval is, dan heeft het socialemaribelfonds het recht om de kosten van de vervanging terug te vorderen.

Neen, als het socialemaribelfonds een dergelijke overeenkomst in bezit krijgt, dan vordert het fonds de uitbetaalde bedragen ter financiering van de loonkosten van de vervangende werknemer terug.

Dit kan niet. In elke situatie is een overleg met u als werkgever, het opleidingscentrum en de VDAB nodig. Als alle partijen akkoord zijn, moet de betrokken werknemer de dag nadat hij met zijn opleiding stopt weer komen werken. Eens afgehaakt kan deze werknemer later geen opleiding meer volgen in het kader van ‘Project 3030’, tenzij de verschillende betrokkenen akkoord gaan dat de reden van stopzetting te maken heeft met overmacht, bv bij dringende familiale of medische redenen. Informeer de werknemer hierover.

De opleiding

Surf naar volgende websites:

  • www.zorggezind.be > opleidingen (site van de koepelorganisatie van de diensten voor gezinszorg)
  • www.werkmetmensen.be (een project van het Vlaams Instituut voor Vorming en Opleiding in de Social Profit – VIVO vzw)

U wordt uiteraard verwittigd over welke werknemer met de opleiding kan starten. Om de opstart van alle geselecteerden voor het Project 3030 vlot te laten verlopen, maken Liesbet van Tendeloo en Patricia Daems, als vertegenwoordigers van de Zorggezind, een planning op voor het komende schooljaar. Hierbij houden ze o.a. rekening met de opleidingscapaciteit van de diverse opleidingscentra en de woonplaats van de kandidaat. Het overzicht wordt bezorgd aan de werkgroep ‘Competentieontwikkeling en zorgberoep’ van Zorggezind voor verdere afstemming.

Het project

Het Project 3030 wordt gefinancierd door het Fonds Sociale Maribel voor de Diensten Gezinszorg van de Vlaamse Gemeenschap. De opleidingskost wordt vergoed door de VDAB volgens de afspraken tussen Zorggezind en VDAB. De vrijgekomen arbeidsplaats moet hiervoor ingevuld worden door een ingeschreven voltijds of deeltijds niet-werkende werkzoekende van de VDAB.

De beheerders van het Vormingsfonds voor de Diensten Gezinszorg van de Vlaamse Gemeenschap beslissen over de inhoudelijke krijtlijnen van dit project. De stuurgroepleden ‘Project 3030’ bereiden alles voor. Zo doet de Stuurgroep bijvoorbeeld voorstellen i.v.m. de voorwaarden om deel te nemen aan het project, de selecties en proeven bij de VDAB en de opvolging van het project. Ook heeft de Stuurgroep het mandaat van de beheerders om te functioneren als selectiecommissie na de screenings en om te beslissen over aanvragen i.v.m. allerlei uitzonderlijke situaties.

NaamOrganisatie
Mieke Ruys - VoorzitterZorggezind
Bart Van DammeFamiliehulp
Ingrid RolléI-mens
Louise VerdonckZorggezind
Ben DebogniesACV Voeding en Diensten
Tommy JonckheereACLVB
Johan Van Eeghem - OndervoorzitterBBTK – ABVV

 

Contactadres

Project 3030, Sainctelettesquare 13-15, 1000 Brussel

E-mail

project3030 [at] vspf.org ()

Contactpersonen voor de financiering van de tewerkstellingen door het maribelfonds

  • Sylvie Desfossés - 02 250 37 86
  • Jeroen Beyens - 02 229 32 46

Nog vragen?

Als u na het lezen van deze vragenlijst nog onbeantwoorde vragen heeft, mail naar
project3030 [at] vspf.org